TWEEDE BLAD VAN PEEL EN MAAS PATER EN PETER Vijf en vijftigste Jaargang No 44 FEUILLETON. Mattesen Ties de Kiesjeskèl De overweldiging van België. Zaterdag 3 November 1934 6. Peter. U had me nog wat te zeggen over heiligheid en priesters. U was nog niet uitgepraat. Pater. Bij lange niet. Ik wil U vandaag een vraag stellen, en wel deze. Als alle katholieken niet slech ter waren dan hunne parochiegeeste lijken, Pastoors en Kapelaans, zou 't er dan niet anders uitzien in ons landje, anders en beter. Peter. Dat zou ik meenen't Zou haast te mooi zijn. Pater. Dus, dan kunnen de katholieken, wat deugd en heiligheid betreft, nog heel wat leeren van de Geestelijkheid. Wat dunkt U Zou de H. Paulus tot de geloovlgen van onzen tijd kunnen herhalen wat hij aan de Hebreërs aanbevalGedenkt uwe voorgangers, die U het woord Gods verkondigd hebben; zie naar hunnen levenswandel, en volgt hun geloof na. (XIII. 7.) Peter. Ja, gerust Onze Geeste lijken mogen gezien worden, en alle oprechte katholieken zijn er fier op. Pater. Ze zouden ook wel erg kieskeurig moeten wezen om 't niet te zijn. Men moet nu werkelijk een vreemdeling zijn in de geschiedenis, om niet te weten, dat er misschien nooit een betere Geestelijkheid ge weest is dan in onzen tijd, en speciaal in ons land. Zeg, Peter, je keDt toch zeker nog Faus Leo XII11 Peter. Den Paus der werk lieden Het licht aan den hemel 1 Eu of ik dien ken 1 Pater. Mag ik U eens eventjes voorlezen wat bij in 1899 schreef aan de Fxanscbe Geestelijkheid „Wij kennen en heel de wereld kent met ons de hoedanigheden die U tot sieraad strekken. Geen goed werk, waaraan gij niet den eersten stoot gegeven hebt, of waar van gij niet de ijverige bevorderaars zijt. Overeenkomstig de lessen, door ons gegeven in onze Encycliek Rerum Novarum, gaat gij tot het volk, tot de arbeiders, tot de armen. Gij tracht op alle wijze hun te hulp te komen, de zedelijkheid van hun leven te verhoogen en hun lot dragelijker te maken.Met dat doel belegt gij vergaderingen en congressen gij sticht patronaten, vereenigingeo, land- bouwkassen, fondsen en arbeids beurzen voor de werklieden. Gij spant uwe krachten in om op econo misch en sociaal gebied hervormin gen in te voeren, en aarzelt niet bij dezen moeilijken arbeid aanzienlijke offers te breugen vaD tijd en geld. Te dien einde schrijft gij ook boeken of artikelen in de dagbladen en* tijd schriften." Wat dunkt U, Peter Peter. Dat dit compliment ook nog aan onze parochiegeestelijken gegeven kan worden, dubbel en dwars, want sinds 1899 is er heel wat meer komen kijken op sociaal gebied, bonden en vereenigingen zonder tal en zonder end. Pater. Als nu eeDS al de Katho lieken daaraan ook maar een tiende part deden en overhadden voor de sociale questie, zouden we dan geen groot eind verder zijn Peter. Dan was ze al lang opgelost, denk ik. Pater. O zoo 1 Dus zijn onze priesters toch nog ergens goed voor, zelfs om een mensch waardig bestaan aan de arbeidende klas te verzekeren. Zij mogen het dus O.L.H. in alle Oorspronkelijk verhaal van de Noord-Limburgsche grenzen door BERNARD VIELER. 6 V. En de kompeleraenten van vrouw van Duunkoven. De Zigeuners en Nimrodzonen van den Sterrenberg, die door den vorigen, streng optredenden en vitterigen boschwachter strak in loom gehouden waren, wilden nu toch eens weten, hoe het er met den nieuwen boschwachler voor stond en welke gedragslijn ze tegenover dezen aan ie nemen hadden. Ze kregen er echter spoedig hun bekomst van. Al waren de Sterrenbopgers nog zoo glad en geslepen, Mattesen Ties overblufte hen altijd en, of zij alleen of met meerderen uitgingen om te stroo pen, bijna geregeld liepen zij er tegen aan. Onder de gladde jongens van den Sterrenberg was »'t stille Wieske" ontegenzeggelijk de glad ste. Hij had zijn bijnaam niet te danken aan de omstandigheid, dat hij naar den heiligen koning van Frankrijk, Lodewijk, of naar den heiligen Aloysius gedoopt was, bescheidenheid nazeggen Ik heb medelijden met de schare. Peter. Beslist, hoor. Pater. Nog een vraag. Zijn 't ook echte zielzorgers Zorgen zij ook voor goede zeden en godsdienst zin Verdienen zij nog den naam van geestelijke herders Peter. Wie anders dan zij 't Zou er uitzien, als zij er niet waren 1 Pater. Weet ge wat de heilige Pastoor "an Ars er van zei Een heilige, boor, een groote heilige, die niet sprak over zich zeiven, daar voor was hij veel te nederig maar over de priesters in 't algemeen. Peter. Neen hoe zou ik dat weten Pater. Wel. weet het dan nu, en onthoud net voor goed. Zoo sprak hijAls er geen priesters waren, zouden de menscheu na een twintig jaar de beesten aanbidden. Peter. Kras gezegd, maar ik kan 't best aannemen. Ja, ja, de wereld zou totaal verwilderen. Pater. Ja, net zoo goed als in alle heidensche streken... Zijn onze priesters dan nog ja of neen het licht der wereld en het zout der aarde Begrijpt ge nu waarom al de vijanden van Kerk en maatschappij zoo gebeten zijn op onze priesters Peter. Ja, dat begrijp ik best, want ze haten het licht, en moeten niets hebben van bederfwerend zout, dat ze met kilo's zouden kunnen gebruiken. Pater. Maar begrijpt gij ook dat katholieken hunne priesters af breken, en belasteren Peter. Ik kan enkel zeggen dat het aartsdom is. Pater. Zeg daarbij onrecht vaardig en ondankbaar. Kun jij zulke lui ook heilig verklaren Peter. Wat ik verklaar Dat 't overloopers en verraders zijn, op roerige soldaten, die hun hoofden en chefs laf in den rug schieten. Pater. En toch bidden die ver ongelijkte priesters, vaak dtep gegriefd ook voor deze verdwaalden Vader, vergeef 't hun, want zij weten niet wat ze doen. S. H. PEETERS, M.S.C. lijden blijde te dragen, dan zullen wij ook met Franciscus het lijden van anderen gaan verzachten. Derde Orde Raad. FRANCISCAANSCHE VONKEN. We denken over het algemeen te veel aan eigen leed, te weinig aan dat van anderen. Eu dat is niet goed Dat verbittert zo gemakkelijk. Leed is er overal. De een heeft meer stoffelijk leed, de ander meer zieleleed. Maar lijden is tenslotte ons aller deel. Wie dat beseft, draagt eigen leed gemakkelijker. Zeker, het probleem vaa het lijden blijft in zijn diepste diepte voor ons wel een raadsel. Maar boven alles uit blijft toch het feit staan, dat ons het lijden trefc en dat God, die het toelaat, ons hoogste en eeuwig geluk wil. Laat ons dat troosten en ook be moedigen. Als we lijden, weet God dat we lijden. En Hij wil. dat het lijden ons tot werkelijk voordeel zijn zal. Daarom staat Hij ons terzijde met zijn troost. Vergeten we toch nooit, dat Jezus allen die lijden, die belast zijn en beladen, uitnoodigt tot Hem te komen. Ea dat Hij beloofd heeft: Ik zal U verkwikken. Als Hij ons in alle lijden en nood wil helpen en bemoedigen, laten wij dan ook anderen naar Zijn voorbeeld helpen, om hun lijden te verlichten Durven wij met Franciscus het want hij heette gewoonweg Wil helm Janssen, n.aar veeleer aan het feit, dat, als hij ergens dronken in de herberg zal en dat ge beurde hem stelselmatig en donder fout als hij centen in den zak had de aanwezigen steeds aanzocht een stil deunlje met hem te zin gen, welk verzoek echter altijd in het Duilsch gedaan werd Nun wollen wir noch einmal eine stille Weise singen en dan begon hij te brullen als 'n leeuw, van hou je maar vast, dar de glazen rinkelden. Hij bad die mooie melodie op gedaan op zijn zwerftochten in Duilschland, waar. hij met para- pluies geleurd had. Overigens had hij een vroolijken dronk over zich, zooals de men schen zeiden en hij maakte nooit herrie of ruzie; ook hinderde hij niemand, behalve de naaste buren tot op tien minuten afstand en den hospes als hij ergens »vasl zat" en zijn leise, leise, fromme Weise brulde. De lui vonden stille Wieske een grappige kerel en heelemaal niet slecht, want hij zou nooit jenever drinken als hij geen centen had, wat erg verklaarbaar was, daar er geen enkele kastelein in het dorp meer was, die hem of zijn kornuiten nog pofie, zoodat ze altijd eerst vooruit betalen moes ten We kunnen hierbij nog ver melden, dat er geen verhouding beslond lusschen de gestalte en den naam van Stille Wieske, want Wieske was volstrekt geen klein menneke, maar de langste slungel, die er uren in den om Herinneringen aan de omzwervin gen van een oud-oorlogscorres pondent tusschen de strydende party en. TER VERKLARING. Nu we het eerste hoofdstuk van de beschrijving onz^r herinneriogen hebben afgesloten, volge thans aller eerst een woord „ter verklaring." Waarom heb ik deze oude her inneriogen opgehaald Ik meende er een goed werk mee te doen. De wereldoorlog van 1914 1918 is iets ontzaglijk groots en droefs in de wereldgeschiedenis ge weest. Wij, menschen van middel baren en ouderen leeftijd, hebben door hetgeen we vernamen en onder vonden, den oorlog leeren schuwen en haten. We begrijpen het niet. dat er weer een jong geslacht is gegroeid, hetwelk even dom, maar ook even doeltreffend op een nieuwen oorlog aanstuurt als in het begin onzer eeuw de menschheid werd ondernomen. Is men dan vergeten, wat „oorlog" beteekent Toen we dat overdachten, drong het tot ons door, dat hoe versch ook het oorlogsgebeuren nog maar achter ons ligt de helft van ons volk er zich uit eigen ervaring slechts weiDig van kan herinneren. Het zijn al heele mannen en vrou wen, die de oorlogsjaren slechts als kinderen beleefden en mlllioenen vaa ons volk hebben pas na 1914 het levenslicht aanschouwd. Die allen hooren wel eens prateD over den oorlog, maar overigens is hun kennis ervan een zeer betrekkelijke. Merkwaardig is ook, datdeoorlogs lectuur, voor zoover die geschiedenis wil zijn van den geheelen wereld- strijd of een gedeelte daarvan, uiter mate beperkt is. We kennen zelfs geen enkel zoodanig werk, in de Nederlandsche taal uitgegeven, dat een der vele mooie boeken van den Fransch Duitschen oorlog van '70 nabij komt. Om xort te gaan we hebben het geheugen van tijdgenooten nog eens willeo opfrisschen en aan de jeugd «en meec reëel inzicht willen brengen in de afschuwelijke beteekenis van het oorlogsbegrip. En we hebben ervaren, dat er groote belangstelling is voor wat we ondernamen. Van alle kanten heeft men mij duidelijk gemaakt, dat mijn herinneriogen met veel interesse worden gelezen. Voor deze betuigingen van instem mlng ben ik even dankbaar als voor de bemerking, welke me van ééo zijde gewerd. Mijn herinneringen zouden anti- Duitsch zijc, zoo luidde de bedoelde critiek. Ia zekeren zin: jaI In zooverre de feiten n.I. anti-Duitsch waren, moesten ook mijn herinneringen het zijn. Toen ik in 1914 het oorlogsterrein betrad, kende ik voor de oorlog voereoden sympathiën noch anti- pathiën. Ik ben toevallig bij de Duitschers terecht gekomen, maar had ook andersom geweest kunnen zijn. Ea toen heb ik gezien en ondervonden. Ik heb Visé zien branden en daar gewelddaden zien trek bekend was. Zijn trouwe makker en bondge noot Piet van Dommelen alias Pelje den Bult was een zwak uitziende jonge vent, met een groot hoofd, dat diep tusschen de schouders zat, een kippenborst van voren en'een bulligen uitwas op den rug. Zijn kleine, roodgerande oogen waren gestadig in beweging en geen sekonde op hetzelfde voor werp gevestigd. Handen en voeten waren klein, bijna niet grooter dan die van een tienjarig kind de armen daarentegen buitenge woon lang; waarschijnlijk omdat hij er geen beter emplooi voor had, staken zijn handen bijna altijd in de broekzakken, waar door de lang uitstekende ellebogen een volmaakten driehoek vormden. Ieder oogenblik overviel hem een vervaarlijke hoestbui en er was niet veel menschenkennis voor noodig om te conststeeren, dat hij aan tuberculose lijdende was. Desniettegenstaande rookte hij met groote voorliefde de zwaarste sigaren en dronk zooveel jenever of foezel als men hem voorzette. Zfjn aandeel in de gezamenlijke ondernemingen der Sterrenberg- ,sche kornuiten bestond hoofdza kelijk in het opsporen der gele genheden, waar een slag te slaan was, het onbemerkt verkennen der terreinen en ook wel in het verkwanselen van den gemaakten buit. Zijn kameraden noemden hem den adjudant en hij liet zich dien titel heel gaarne aanleunen. Op zedelijk en lichamelijk ge bedrijven tegen de burgerbevolking. Uit wat ik verder uit mijn herinnerin gen zal ophalen, kan den lezer blijken, hoe ik ook de verwoesting mee maakte vaa Leuven hoe ik 't ge teisterde Dinant heb bezocht, waar meer dan 600 mannen, vrouwen en kinderen werden tesamen gedreven en toen met mitrailleurs zijn afge maakt hoe ik, op bezoek bij Kardinaal Mercier, uit den mond vaa dezen prelaat de aanklacht van een gemarteld volk heb moeten noteeren; en tenslotte hoe ik zelf vijf keer door de Duitschers gevangen ge nomen en „be"handeldben geworden. Mag men van mij verwachten, dat ik de oorlogs-Duitschers schatjes za! heeten Moet ik de waarheid ver zacbten door ze te verkrachten Mogelijk, dat de Belgen en Fran- schen bij een inval, in Duitschland niet anders noch beter zouden hebben gehandeld. Mogelijk 1 Ware het aldus geschied en ik hadde het meegemaakt en beleefd, dau zou ik zulke barbarie évenzeer hebben gelaakt als ik het thans van de Duitschers deed en nog zal doen. t Is alles „oud zeer", meende dezelfde criticus. De wonden van Christus zijn „oud zeer" van 19 eeuwen en nóg ziet de menschheid naar Zijn beeld op om zich te herinneren, wat de Verlosser voor haar geleden heeft. Het „oud zeeruit den oorlog moet ia herinnering blijven, opdat volgende generaties het zullen weten en het nimmer leeren vergeten, wat een duivelsch werk de oorlog is en welk een menscheiijke schande deze beteekent. Wie op oorlog aansturen zijn minder te tellen dan de vaders, die zelf hun vrouw en kinderen koelbloedig het staal in d'r lichamen stooten. Wie op oorlog aansturen, vermoorden hun vrouw en kinderen óók, maar ze gebruiken anderen voor het luguber werk en in vele gevallen staan ze dan mede nog schuldig aan de voorafgegane on- teering. Als we het „oud zeer" van den oorlog ophalen, ^doen we dat niet om de Duitschers te grieven, maar om te waarschuwen, want al moge de Duitscher ah „Übermensch" in zijn geringschatting van andere rassen en volken hardvochtiger en mee doogenloozer worden geacht dan een ander naar Nietzsche is de Duit scher de wilskrachtige „dionysische" mensch, die boven goed en kwaad verheven is toch kan men er van verzekerd wezen, dat elke oorlog □iet anders dan beestachtig kan zijn. Daaraan moet herinnerd blijven. Aanvankelijk was het mijn bedoe ling om na de beschrijving van de verwoesting van Visé, uitvoerig in te gaan op de Duitsche beschuldi ging. als zoude de Belgische burger bevolking door franctireursdaden haar bestraffing noodzakelijk hebben gemaakt, maar ik meen, dat ik het verhaal van mijn ervaringen beter niet kan onderbreken en bewaar mijn beschouwingen dan ook liever tot het slot. Ik heb de heele franc tireurskwes- tie grondig bestudeerd en er tijdens den oorlog ook een boekje over gepubliceerd, hetwelk In verscheidene talen is uitgegeven. Ik wil echter hier reeds vaststel len, dat ik de franctireur beschuldi ging voor een besliste leugen houd, Ik heb den strijd meegemaakt om de forten van Luik, was bij de verwoesting van Visé aanwezig, ik heb Leuven in vlammen zien opgaan, ik ben in die stad door zes gewa gende soldaten uit mijn bed gehaald jeschuldigd van... franc-tireursdaden, ik heb de gevechten gezien rond Antwerpen en den strijd aan den Yzer, maar: le Nog nooit heb ik iets van een franc-tireurskrijg waargenomen; 2e Nog nimmer een als franc-tireur gewapend burgerlijke gevangene gezien; 3e Nooit van welken Duitschen militair ook eigen ervaringen van franc-tireursdaden der burgerbe- volking hooren vertellen. 4e Nooit op mijn vragen zelfs maar een enkelen naam van een franc tireur hooren noemen. Wél heb ik vastgesteld: dat reeds in de eerste dagen van den oorlog in de bladen een uit Duitsche bron komend bericht over de verwoesting van Visé verscheen, waar franc-tireurs zouden 2ijn opge treden, terwijl de verwoesting inder daad eerst verscheidene dagen later plaats greep. Visé werd op 16 Augustus ver woest, maar op 14 Augustus schreef ik reeds in mijn blad (zie „De Tijd" no, 20457) r,ln Visé wordt een waar schrik bewind uitgeoefend. Eergisteren werd met de bel door de straten en afgekondigd, dat binnen 24 uur iedereen zijn fietsen bij de brug breDgen moest. Werd daarna nog bij iemand een fiets gevondeD, dan zou hij gefusilleerd en zijn huis in brand gestoken worden. Gistermorgen kondigden de Duit schers weer af, dat alle wapenen ook oude, gehrokene en uit elkaar geoomene, binnen een uur op het stadhuis moesten worden inge leverd. Als er daarna nog wapenen werden gevonden, zouden ze de inwoners fusilleeren en de stad verbranden. Voortdurend worden met bedreiging van verbranding eet en drinkwaren geëischt en de inwoners vreezen niets zoozeer, dan dat den een of anderen dag iets geëischt^zal worden, wat men niet kan geven." Zelfs reeds eerder, den llen Au gustus n 1., verzond ik een telegram aan mijn blad (zie no. 20353) waar in o.m. voorkwam „In Visé en omgeving slaapt men 's nacbis nog.in de kelders, daar voortdurend met brandstich ting wordt gedreigd." Voorloopig genoegik ga nu me moreeren, hoe ik in Riemst werd gevangen genomen en daar in het gezelschap van den burgemeester en den pastoor van het plaatsje werd opgesloten. Md. Wordt vervolgd bied totaal ontaard, was hij niet anders dan het prototype van een doortrapt schoelje. Dan hebben wij nog kennis te maken met den derden persoon van een edel drietal, namelijk met Rooien Albert, de waardige zoon van Friederich de Kippendief. De familienaam was Le.usman maar deze was in Groenrode zoo goed als onbekend, ofschoon hij nogal karakteristiek en vooral in de Duilsche uitspraak gemakkelijk te onthouden is. Zoowel vader als zoon behoor den lot de nfijnste, aanbevelens waardige merken". Papa was van Duilsche afkomst en had in het grosse Vaterland en ook in »Aarum" herhaaldelijk in de gevangenis gezeten wegens diefstal van kjppen en andere roerende goederen. Zijn zoon Albert, was een paar weken geleden teruggekeerd in 't huis zijns vaders", nadat hij zes maanden in Arnhem in een re- traitenhuis had doorgebracht, om le overwegen cf hij zich niet heelemaal aan de wereldsche be koringen zou onttrekken, maar hij was toch »beu" geworden van de stille afzondering in dat groote gesticht. Da personen, die hem indertijd naar het retraitehuis in Arnhem zor.den en misschien verwachtin gen gekoesterd hadden, daarmede heilzame uitkomsten bij den rooien Albert te bereiken, moesten even wel erkennen, dat die pogingen faliekant waren uitgekomen, want een paar dagen geleden had de brave ex-retraitant alweer een ontmoeting met de »Kemiezen' Regeerings bemoeiing met den Landbouw. Gaat zy in verkeerde richting Het vraagstuk der Regeeringsbe- moeiïng met den landbouw staat wederom in de volle belangstelling van ons volk en in de groote dag bladen wordt weer dag aan dag ge schreven en gepolemiseerd over de al dan niet juistheid, of doeltreffend' heid der genomen maatregelen. Wij begrijpen dit volkomen en waardeeren het, omdat het hier in derdaad gaat om voor ons geheele volk en voor onzen boerenstand in het bijzonder, allerbelangrijkste vraag stukken. Dat de Regeering maatregelen genomen heeft om onze boeren en tuinders door de crisis heen te hel' pen vindt geen bestrijding. Het in het begin van de crisis ingenomen stondpunt „Laat maar uitzieken" vindt gelukkig geen ver dedigers meer. Doch daarnaast is het evident, dat ons volk, dat groote bedragen moet opbrengen in den vorm van accijn- sen of heffiogen, 2ich afvraagt, of het nu wel noodzakelijk is, dat mll lioenen kilo's boter voor 30 cent per KG. naar Eogeiaad moeten worden uitgevoerd, terwijl in het eigen land voor de boter f 1.80 en voor de margarine f 1.20 per KG. wordt betaald, ofwel dat het bevro ren varkensvleesch met de grootste moeite kan worden geëxporteerd naar Italië voor een netto prijs van nog geen.... dubbeltje per K.G. Wanneer toch onze Regeering steunwetten indient, welke beoogen, dat den boer wordt gegeven een minimale kostprijs voor zijn product en dus uit die overwegingen oszen boerenstand beschermt tegen een al dan niet gedumpten internationalen wereldprijs, dan is deze politiek van de Regeering volkomen juist, als zorgende voor het algemeen welzijn. Dat begrijpt ons volk ook en draagt dus ook hiervoor bij. Doch daarnaast is het verklaar baar, dat waar de Regeeringsmaat- regelen steeds bij uitstek stonden in het teeken van „tijdelijke maatregelen", men zich afvraagt, zooals in het voorloopig verslag van Hoofdstuk I der Staatsbegrooting „Meer zouden de hierbedoelde leden het op prijs stellen vooral nu een nieuwe Minister de zorg voor de landbouw zaken op zich genomen heeft te vernemen, welke het doel is, dat de Regeering met haar agrarische politiek nastreeft." Vooral moet deze vraög worden gesteld, nu de kans op een korten duur, waarin steua moet worden verleend, wel verkeken zal zijn en dus de Regeeringspolitiek ten aanzien van den landbouw moet worden ingesteld op een te verwachten langen duur" der steunmaatregelen. Beziet men de kansen voor onzen landbouw ten opzichte van het aller belangrijkste vraagstuk vqn de export mogelijkheid, dan moet men toch erkennen, dat het er thaDS wel hopeloos slecht voorstaat, vooral met name voor onze twee voornaamste producten zuivel en vleesch. De prijzen waarvoor een groot deel onzer producten de grenzen overgaat, zijn zoo belachelijk laag, dat men zich met groote zorg moet afvragen of niet tot eiken prijs zoodanige exporten moeten worden voorkomen, waardoor dus onmiddellijk het vraag stuk der verminderde productie aan de orde komt. Noemen wij de zuivel, waarvan toch millioenen kilo's boter naar Engeland worden geëxporteerd voor even 30 cent per K.G., waaruit ressorteert een melkprijs van onge veer 1 cent per K G., dan voelt men toch, dat de productie van deze melk, nationaal bezien, verlies brengt en dat deze melkproductie verkregen voor een belangrijk deel uit den import van voedergranen, moet wor den tegengegaan. Is het een juiste en rechtvaardige politiek der Regeering geweest, om onzen landbouw te redden, door middel van de accijasen en heffiogen» door ons volk een nog altijd zeer lagen prijs te doen betalen voor de producten welke ons volk noodig heeft, en kan men in het nationaal belang met het oog op het behoud van buitenlandsche markten hierbij rekeDen op een normalen export van Groenrode gehad, waarvoor hij opnieuw voor de Heeren moest komen. In tegenstelling met zijn col lega's, die er de voorkeur aan gaven Sterrenbergsche renteniers kleeren te dragen en op klompen te patrouilleeren, gaf hij zich de moeite als heer gekleed te gaan weshalve hij dan ook nooit klom pen droeg, maar schoenen, a waren ze er ook naar en een voorhemdje, al was dat ook in zes weken niet gewasschen of gestreken. De andere Sterrenbergers had den als hoofddeksel meestal de «kiepsen" van de allerlaatste mo dellen, maar hij had altijd een hoedje van boven op. Als iels uit het groote Duitsche vaderland komt, dan zegt men ii Groenrode: »dat kumt van boave daarom paradeerde hij geregeld met een week villhoedje, versierd met een »metkolleve-vèrke",schuin op de roode krulharen, waardoor zijn uiterlijk iets ondernemends en- aanlokkelijks kreeg, vooral voor de edele jonkvrouwenschaa op den Sterrenberg. Zoowel Mattesen Ties als de brave Nimrodzonen van den Ster renberg meenden dezelfde tactiek te moeten volgen, namelijk dat het steeds raadzaam is de bewe gingen der tegenpartij na le gaan, vooraleer men iets gaat onder nemen. Uit dien hoofde trachtte 't edele drietal Stille Wieske, Pelje den Bult en Rooien Alben zich op de hoogte te stellen van de plaats waar Mattesen Ties zich bevond, alvorens een avondexpeditie of een nachtelijken strooptocht te ondernemen. Van zijn kant v0Igde Ties pre cies hetzelfde systeem, met het kleine verschil, dat hij gewoonlijk reeds vroeg in de huurt van den Sterrenberg verdekt op den loer lag, om te zien waarheen de brave broeders zich begeven zouden. Aan de weersgesteldheid, den stand der maan, de aanwezigheid van een partij wild op 'n bekende plaats, vooral echter ook aan de finanlieele toestand der stroopers kon hij zoo ongeveer afleiden of zij er op uittrekken zouden of niet. Hadden ze namelijk geld in de »tes", dar» moest dat eerst worden opgemaakt en bleven zij dus bij honk; maar als ze berooid waren en met hun drieën nog geen half maatje foesel konden koopen, dan was de lijd gekomen, om weer door de een of andere expeditie voor nieuwe fondsen te zorgen. Op zekeren morgen had Ties uit de verte gezien hoe Petje den Bult langs de Bossche baan slen terde en tenslotte links in hel hout verdween. Ongezien was hij hem nage slopen en, zooaU hij 't verwacht had, zag hij op een afstand hoe Pelje bezig was hier en daar on der de struiken van een met eikenhout begroeiden wal, die het bosch van het bouwland scheidde, met de handen rond le grabbelen. Hij liet hem kalm begaan, want hij wist nu waar het orn ging. Zoodra de wal afgezocht was, kuierde Pelje verder in de richting van den grintweg, die door het boach liep.

Peel en Maas | 1934 | | pagina 5